Future (4 varianten)

2018-09-20T21:22:37+00:00

Praten over de toekomst doe je met de Future tenses: I will come. He is going to leave. We are seeing a movie. My train leaves in 15 minutes.

Future – will, to be going to

2018-09-20T21:22:50+00:00

De toekomst (Future tense) voor een voorspelling: We will win the match (geen bewijs). We are going to win the match (met bewijs). Iets van plan te doen? I am going to do my homework tonight.

indirecte rede

2018-09-20T21:24:02+00:00

De indirecte rede (reported speech) is het doorvertellen van wat je hebt gehoord. Mike: I love lasagne. Me: Mike told me he loved lasagne. Het hoofdwerkwoord gaat altijd één stapje terug in de tijd.

passive

2018-09-20T21:27:23+00:00

In een actieve zin voert het onderwerp van de zin de handeling uit: I throw the ball. In een passieve zin (Passive) ondergaat het onderwerp de handeling: The ball is thrown.

Past Continuous

2018-09-20T21:27:28+00:00

Gebruik de Past Continuous om aan te geven dat iets een tijdje bezig was. We were doing our homework yesterday evening when Trey called.

Past Perfect

2018-09-20T21:27:44+00:00

Je gebruikt de Past Perfect (had + voltooid deelwoord) wanneer je meerdere momenten in het verleden bespreekt. vb: She had texted Eric before Eric saw her at the disco.

Past Simple

2018-09-20T21:27:49+00:00

De Past Simple gebruik je voor alles dat afgelopen is. Twee voorbeelden: I lived in Amersfoort last year. I did my homework yesterday.

Present Continuous

2018-09-20T21:27:59+00:00

Alles wat je NU aan het doen bent zeg je in de Present Continuous tijd. Hiervoor gebruik je 2 werkwoorden: to be (am/is/are) + het actiewerkwoord+ing. vb: 'I am reading this right now.'